Leven en werk van hydrograaf Gustaaf Tydeman
Op 24 juni 1916 gebeurde op het marine-etablissement te Soerabaja iets opmerkelijks. Bij de tewaterlating van een opnemingsvaartuig in aanbouw kreeg het schip de naam Tydeman. De drager van die naam had als vlagofficier een jaar tevoren met eervol ontslag de marine verlaten. Dat een marineschip gedoopt werd met de naam van een nog in leven zijnde zeeofficier was (en is) een ongebruikelijk eerbetoon.
Gustaaf Tydeman, hier afgebeeld in de rang van schout-bij-nacht als commandant der Marine te Amsterdam (foto: collectie NIMH)
Zestig jaren later stelde de Koninklijke Marine een oceanografisch vaartuig in dienst dat eveneens de naam Tydeman droeg. Wie was deze Tydeman, die kennelijk beschikte over opvallende hydrografische en oceanografische bekwaamheid en expertise?[i]
Historische bronnen
Het in kaart brengen van het leven van een marineofficier uit de negentiende eeuw begint met een onderzoek in de marinearchieven in het Nationaal Archief te Den Haag. Tot de archiefstukken behoren onder meer de stamboeken van officieren, met inkt beschreven scheepsjournalen en ministeriële archieven van afzonderlijke eenheden zoals Commandant Maritieme Middelen Willemsoord, Hydrografie en het KIM. Daarnaast zijn er de archieven van individuele personen. Interessante bronnen bleken archiefverzamelingen in steden en provincies in Nederland, waaronder die van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). Een belangrijke particuliere collectie wat betreft Tydeman is een verzameling brieven van hem aan zijn volwassen zoon in de Verenigde Staten. Tydemans nakomelingen in de VS stemden toe in het gebruik van deze correspondentie. Digitale bronnen in dezen waren krantenberichten en de handelingen van de Staten-Generaal.
Het thema van de biografie
Tydemans marineloopbaan werd bepaald door het reilen en zeilen van de zeemacht en het uitvoeren van wetenschappelijke taken als hydrografische opneming en oceanografisch onderzoek. Het in kaart brengen van de Indische archipel vergde van de KM gedurende vele jaren een grote inspanning, die werd geleverd door een betrekkelijk klein aantal professionele, hydrografisch getrainde zeeofficieren. De opneming vond plaats aan boord van opnemingsvaartuigen of van andere kleine schepen en soms ook tijdens expedities te land. Het biografische overzicht van Gustaaf Tydeman is hiermee naast een schets van hem als persoon tevens een indicatie van de toenmalige band tussen marine en wetenschap.
Jonge jaren
Gustaaf Tydemans zag op 12 februari 1858 in Paramaribo, Suriname het levenslicht. De toekomstig hydrograaf groeide evenwel op in Nederland en werd in 1873 toegelaten tot de zeeofficiersopleiding in Den Helder. De opleidingsjaren in het 'Heerenlogement', een door adelborsten gebruikte koosnaam voor hun instituut, deelde Tydeman met 24 jaargenoten. Aan het eind van het derde studiejaar was de kruisreis van twee maanden in de Zuiderzee met de Urania het sluitstuk van de opleiding. Na de praktische en theoretische eindexamens bleken Tydeman en jaargenoot J. Hensbergen van Hoogstraten de beste twee van hun jaar te zijn. Hun beloning was een gouden horloge, uitgereikt door de minister van Marine.
‘Het in kaart brengen van de Indische archipel vergde van de KM gedurende vele jaren een grote inspanning’
Varen wereldwijd
Tydemans eerste lange zeereis als jong officier bracht hem van Den Helder tot Kaap de Goede Hoop. Bijna een jaar lang behoorde hij samen met zeven jaargenoten tot de bemanning van het schroefstoomschip der eerste klasse Zr.Ms. Zilveren Kruis, dat in december 1876 tezamen met Zr.Ms. Leeuwarden het Nieuwediep verliet. Aangekomen bij de Kaapverdische eilanden sloot de uit West-Indië afkomstige Zr.Ms. Van Galen zich bij het smaldeel aan. De schepen arriveerden medio juni in de Simonsbaai bij Kaap de Goede Hoop. Aldaar vond een bemanningswisseling plaats, waarbij varensgasten van een marineschip komend van Java de plaats innamen van 242 man van het smaldeel die bestemd waren voor een Indische term. Hierna keerde het scheepsverband terug naar Den Helder waar het in oktober aankwam. Met deze zeereis voltooide Tydeman eigenlijk zijn officiersopleiding.
Al spoedig wachtte hem een uitzending naar Oost-Indië. Voor Tydeman volgden plaatsingen aan boord van grote en kleine schepen alsook perioden van hydrografische opneming. Hij moest wennen aan de fysieke uitdagingen van de tropen, zoals blijkt uit een maandenlang verblijf in het gezondheids-etablissement Sindanglaya op Java. In december 1880 was Tydeman voor twee jaar terug in Europa waarbij hij deelnam aan een vlagvertoonreis in de Middellandse Zee en op de Noordzee patrouilles meemaakte aan boord van een visserijpolitiekruiser. In 1883 ging hij weer naar Indië en diende twee jaar op Zr.Ms. Koningin Emma der Nederlanden voor Atjeh bij een kust-blokkade tijdens de oorlog tegen lokale vorsten. Tijdens een onderhoudsbeurt van het schip op het eiland Onrust maakte Tydeman op 25 augustus 1883 de gevolgen van de uitbarsting van de Krakatau-krater mee, zoals een plotseling dalende luchtdruk, een extreem hoge waterstand en een verduisterende asregen. Naar eigen wens was Tydeman in 1884-1885 vervolgens geplaatst aan boord van de opnemer Blommendal voor de noordkust van West-Java. Het was zijn eerste hydrografische plaatsing. Hierna volgden in Nederland en Indië in acht vrijwel aaneengesloten jaren boord- en walplaatsingen bij de Dienst der Hydrografie. Hiermee bouwde hij een reputatie op van een toegewijd en vakbekwaam hydrograaf.
Huwelijk, hydrografie en zeevaartkunde
Terug in Nederland huwde Tydeman op 24 juni 1886 zijn nicht Maria Antonia Tydeman. Geen ongewoon fenomeen in die tijd. Opvallend bij dit Tydeman-huwelijk was het leeftijdsverschil tussen bruid en bruidegom. Gustaaf Tydeman was twaalf jaar jonger dan zijn bruid. Er is overigens geen reden te veronderstellen dat het huwelijk niet uit liefde werd gesloten. In 1888 zou hun enigst kind, Frits, worden geboren.
Na de huwelijksreis kreeg Tydeman de order zich te melden op een stoomkanonneerboot die bijna twee maanden lang de Eems zou gaan opnemen. Met deze praktijkervaring begon hij zijn eerste walfunctie: plaatsing bij de Dienst der Hydrografie op het departement in Den Haag. In de drie jaren dat Tydeman daar werkte deed hij zowel bureauwerk als opnemingen in de Nederlandse kustwateren. De verstrekking van meer dan 150 zeekaarten en bijbehorende boekwerken aan marineschepen was een van de taken van Hydrografie. Voor zeereizen buiten Nederlands zeegebied en Nederlands-Indië vroeg de Dienst kaarten aan bij de Britse Admiraliteit. Tydeman vond tijd om ter informatie van zijn collega-zeeofficieren een artikel voor het Marineblad te schrijven over Amerikaanse kaarten van de Noord-Atlantische Oceaan.[ii] Het was Tydemans eerste en zeker niet laatste publicatie.
Op 28 december 1889 kreeg Tydeman zijn eerste scheepscommando; dat van Zr.Ms. Melvill van Carnbee, een zusterschip van de Blommendal waarmee hij als oudste officier ervaring had opgedaan. Met de Melvill van Carnbee voerde Tydeman in Nederlands-Indië een grote opneming uit over een lengte van 180 zeemijlen van het Sumatraanse kustgebied van Straat Malakka. Sumatra was van economisch belang door de uitgebreide rubber- en tabaksplantages van Deli. Bovendien begon in 1892 ten noordwesten van Deli de winning van aardolie. De keuze voor de opneming van deze kust met haar toenemende scheepvaart was mede gebaseerd op de economisch betekenis van Sumatra. Bovendien speelden imperialistische aspecten een rol. Groot-Brittannië was een nabije koloniale machthebber met handelsambities. De Britten brachten het eigen koloniale zeegebied in kaart en zo nodig ook potentiële zeewegen in gebieden zoals Nederlands-Indië. Met de hydrografische opneming, de oprichting van vuurtorens en bakens en de markering van vaarwaters, bevestigde Nederland het koloniale gezag over zee en land van de Indische archipel. Binnen dit kader deed Tydeman in 1890 – 1892 zijn opnemingen bij Sumatra’s oostkust die hem naam en faam bezorgden.[iii]
Na thuiskomst in Nederland kreeg Tydeman het bevel van de stoomkanonneerboot Lynx, bestemd voor hydrografisch werk in het zeegat van Texel. Daarna volgde de plaatsing als docent zeevaartkunde op het KIM, tevens commandant van het instructieschip Urania. Tot september 1894 bereidde Tydeman zich voor op zijn docentschap, als opstapper van de Urania en drie maanden lang als student op de Sterrenwacht in Leiden. Vier jaar lang was Tydeman met genoegen docent zeevaartkunde. Verder publiceerde hij structureel over zijn vakgebied in tijdschriften als het Marineblad en De Zee.
Hr. Ms. Siboga tijdens de expeditie van 1899-1900 (foto: collectie | NIMH)
De Siboga-expeditie
Het initiatief tot de uitvoering van de Siboga-expeditie lag bij het bestuur van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap (KNAG) dat de politieke en militaire leiding van de marine bereid vond een schip met bemanning beschikbaar te stellen voor oceanografisch onderzoek van de diepzee in het oostelijk deel van de Indische archipel. Het betrof het gloednieuwe flottieljevaartuig en stoomschip Siboga onder commando van Tydeman. De wetenschappelijke leider was professor Max Weber. Zijn vrouw Anna Weber-van Bosse was algendeskundige, reisgenoot tijdens de expeditie en auteur van het voor een groot publiek geschreven reisverslag Een jaar aan boord H.M. Siboga.[iv] Op verzoek van Weber had de minister van Marine Tydeman in augustus 1898 aangewezen als scheepscommandant.
In 1899-1900 verzamelden de wetenschappers aan boord van de Siboga gegevens over de diepten van het oostelijk zeegebied van de archipel. Uit zee werden monsters genomen van dierenleven en flora. De zeeofficieren deden hydrografische waarnemingen.
Verschillende auteurs, meest binnen- en buitenlandse wetenschappers, schreven het eindverslag van de expeditie. De eerste aflevering verscheen in 1901, de laatste (livraison 148) in 1986. Tydeman stelde de delen II en III samen die in 1902 en 1903 uitkwamen. Deel II beschrijft het expeditieschip en de aan boord gebruikte scheepsuitrusting en wetenschappelijke toestellen. Deel III bevat de hydrografische resultaten van de expeditie met 24 kaarten in de tekst en 3 afzonderlijke, grote dieptekaarten. De Engelstalige delen kwamen in een enkele band uit.[v]
Het succes van de Siboga-expeditie is grotendeels te danken aan de goede relatie tussen de expeditieleider en de scheepscommandant. Weber waardeerde Tydemans wetenschappelijke belangstelling en vakmanschap als zeeman en hydrograaf. Mede onder invloed van Weber zou Tydeman zich blijvend verdiepen in natuurwetenschappelijke onderwerpen en hierover publiceren. In 2000, honderd jaar na de Siboga-expeditie, verscheen in Marineblad een artikel van historica Anita van Dissel over de expeditie.[vi]
‘Het succes van de Siboga-expeditie is grotendeels te danken aan de goede relatie tussen de expeditieleider en de scheepscommandant’
Commando's en vlagofficier
In juli 1900 onderbrak Tydeman zijn rapportage van de Siboga-expeditie om eerste officier te worden van het pantserdekschip Hr.Ms. Utrecht. Met deze oorlogsbodem maakte hij een reis in de Middellandse Zee, een tocht naar Noorwegen, een passage naar de West en vandaar naar Oost-Indië. In augustus 1902 was hij weer in Den Helder. Spoedig daarna commandeerde hij het wachtschip te Amsterdam. Aan boord van dit vaartuig was ook de opleiding tot officier van administratie gevestigd die eveneens onder Tydemans commando viel. De functie bood gelegenheid voor nevenactiviteiten. Hij trad in 1903 toe tot de Commissie van Toezicht van het pas opgerichte Rijksinstituut voor het Onderzoek der Zee dat vooral met visserijonderzoek bezig was. Weber was voorzitter van de commissie en Tydeman werd secretaris. Door dit lidmaatschap raakte de laatste betrokken bij maritieme wetenschappen en het desbetreffende netwerk van relaties.
Zoöloog Prof. Max Weber. Tekening F. Hart Nibbrig (foto: Universiteitsmuseum Amsterdam)
Na Tydemans commando in Amsterdam volgde in maart 1905 in de rang van kapitein-ter-zee het bevel van het pantserschip Hr.Ms. Piet Hein. Drie maanden later werd hij commandant van het KIM waar kapitein-ter-zee W.J. de Bruijne plotseling was overleden. Deze walfunctie maakte het voor hem mogelijk in 1906 lid te worden van het College van Curatoren van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut. Dit bleef hij tot 1930. Na drie jaren KIM kon Tydeman zijn voor een bevordering tot vlagofficier wenselijke ervaring van het bevel over grote schepen, uitbreiden met het commando van het pantserschip Hr.Ms. De Ruyter en later het bevel van het pantserschip Hr.Ms. Jacob van Heemskerck. Op 21 april 1909 nam Tydeman in Tandjong Priok het bevel op zich van het Nederlands Eskader in Oost-Indië. Met drie schepen maakte hij van augustus tot eind november 1909 een vlagvertoonreis in Oost-Azië.
Op 4 maart 1910 legde Tydeman het bevel van het eskader neer en verliet hij Indië. Na thuiskomst volgde zijn benoeming tot directeur en commandant der Marine te Amsterdam alsmede zijn bevordering tot schout-bij-nacht (pas na 1945 werd bij de KM de rang van commandeur ingevoerd). Zijn functie hield eigenlijk niet meer in dan het voeren van de directie van de Rijkswerf.[vii] In 1910 was de werf namelijk niet meer bruikbaar. Voor schepen was de toegang tot de werf vanaf het open water van het IJ begrensd door de afmetingen van de Oosterdokssluis en de doorgang van de Oosterdoksdijk. Hiermee konden grote schepen de werf niet meer in of uit. In 1912 begon een door de minister van Marine ingestelde commissie, met Tydeman als voorzitter, aan een onderzoek naar de toekomst van de werf. Ruim een jaar later adviseerde de commissie, waarin ook het bedrijfsleven was vertegenwoordigd, de werf op te heffen. De Rijkswerf sloot op 4 juli 1915. Wat bleef was het nog altijd bestaande marine-etablissement. Daarvoor al, op 1 juni, was Tydeman, die in 1912 was bevorderd tot viceadmiraal, ontheven van zijn functie en na eervol ontslag gepensioneerd.
Marinewerf Amsterdam omstreeks 1900 (foto: collectie NIMH)
Nevenfuncties
Tijdens zijn directeurschap van de Marine te Amsterdam bleef Tydeman actief in nevenfuncties, die hij na pensionering behield. Een functie die zijdelings was gerelateerd aan de marine en de wetenschap, was die van lid van de Commissie van Beoordeling van de Stichting 'Fonds voor de De Ruytermedaille'. Het doel van deze in 1907 opgerichte particuliere stichting was iedere vijf jaren een medaille uit te reiken aan iemand met bijzondere verdiensten op het gebied van zeevaart of zeewezen. Tydeman was secretaris en in 1917 voorzitter van de Commissie van Beoordeling. In 1912 volgde de eerste medaille-uitreiking.[viii]
In zijn kwaliteit van directeur en commandant der Marine trad Tydeman in 1910 toe tot de in 1908 ingestelde Raad van Defensie. Na zijn marineloopbaan bleef Tydeman tot 1932 raadslid. De taak van dit ambtelijk college was vaag omschreven als adviseren inzake 's Lands belangen ten aanzien van zee- en landmacht.In 1910 nodigde het KNAG hem uit toe te treden tot het algemeen bestuur van het genootschap. Hij aanvaardde de uitnodiging graag en bleef zijn verdere leven met het genootschap verbonden. In 1912 meldde Tydeman zich voor het lidmaatschap van de Koninklijke Nederlandsche Vereniging voor Luchtvaart. Hij was vele jaren bestuurslid en verzorgde lezingen over de techniek van het vliegen van vogels. Tydemans interesse voor de luchtvaart kwam voort uit zijn belangstelling voor technisch-wetenschappelijke vernieuwingen. Ook werd de oud-vlagofficier in voornoemd jaar lid van het College van de Visscherijen.
'Tydemans interesse voor de luchtvaart kwam voort uit zijn belangstelling voor technisch-wetenschappelijke vernieuwingen'
In 1912 volgde tevens Tydemans aanwijzing door de regering voor het lidmaatschap van de Staatscommissie voor de verdediging van Nederlandsch-Indië. Minister van Binnenlandse Zaken Th. Heemskerk zat de commissie voor. Deze concludeerde in 1913 dat Indië vooral door de zeemacht moest worden verdedigd. Voor die taak diende de marine onder meer over negen slagschepen te beschikken. Een concept vlootwet kwam in de winter van 1914 tot stand waarna de regering de gouverneur-generaal in Batavia uitvoerig wilde informeren over de defensieplannen door tussenkomst van een regeringscommissaris. De keus voor deze koerier viel op Tydeman, die in april 1914 in de kolonie arriveerde. Met gouverneur-generaal A.W.F. Idenburg sprak hij over het concept vlootwet en daarmee samenhangende onderwerpen als financiering en het bemannen van een grote vloot. Twee maanden later keerde Tydeman huiswaarts. De slagschepen zouden er nooit komen.
Eenmaal met pensioen besteedde Tydeman veel tijd aan eerder aangegane en nieuwe vrijwillige betrekkingen en lidmaatschappen. Een jaar na het verlaten van de KM benoemde de minister van Marine hem tot inspecteur van het Militair Onderwijs bij de Zeemacht, een nieuw ingestelde functie. Tydeman vroeg en kreeg bijna acht jaar later als inspecteur ontslag, mede omdat in 1918 een Staatscommissie opleidingen tot zeeofficier en officier werktuigkundige was opgericht, waardoor zijn functie overbodig leek. Verder speelde hij een rol op het gebied van civiele scheepvaart, onder meer als voorzitter van de Commissie Schipperswet die tot nieuwe meer geaccepteerde wetteksten kwam. Als blijk van waardering voor zijn inzet op maritiem-wetenschappelijk gebied ontving Tydeman in 1923 de De Ruytermedaille.[ix]
Laatste jaren
Na de dood van zijn vrouw in 1932, vertrok Tydeman in 1933 voor twee jaar naar de VS waar zijn zoon Frits een bestaan had opgebouwd en in San Francisco woonde. In die jaren schreef hij naast zijn memoires Verbleekte films. Herinneringen van een oud zee-officier (1937) enige boeken over geofysica en natuurkunde. Op 1 mei 1939 overleed Tydeman op 81 jarige leeftijd te Den Haag in het ziekenhuis, in het bijzijn van een huishoudster en een aangetrouwde achterneef. De teraardebestelling op Driehuis-Westerveld was op 5 mei 1939, in het graf waarin ook Maria Antonia en haar jongere broer waren begraven.
Slot
Hoewel de KM van zijn tijd verschillende hydrografen kende met een grote reputatie, had Tydeman als zeeofficier een wel uitzonderlijke carrière. Hij was ook de commandant van een schip op oceanografische expeditie en publiceerde blijvend over hydrografische en zeevaartkundige onderwerpen. Beide kenmerken deelde hij met slechts enkele collega-hydrografen. Dat hij daarnaast als zeeofficier commando's van grote schepen en van het Indisch eskader kreeg en zijn loopbaan eindigde als vlagofficier maakt zijn loopbaan uniek.
Met de succesvolle Siboga-expeditie verwierf de KM nationaal en internationaal waardering en aanzien, zowel in maritieme als wetenschappelijke kringen. In de gevel van het wereldbefaamde Oceanografisch Museum te Monte Carlo staan bijvoorbeeld de namen van de bij de opening van het museum in 1910 bekende schepen van wetenschappelijke expedities. Naast onder meer de Challenger van de beroemde Britse wetenschapper Charles Darwin en de Belgica van de fameuze Belgische winter-expeditie naar Antarctica 1897-1899, is daar ook de naamsvermelding van de Siboga te vinden. Een waardig internationaal eresaluut aan Tydeman en de KM.
Over de publicaties van Tydeman
Tydemans publicaties in boekvorm zijn de al genoemde delen II en III van het verslag van de Siboga-expeditie. In zijn laatste levensjaren schreef Tydeman Notes on Phenomena of a Geophysical Nature (E.J. Brill, Leiden 1936) en The Birth of Earth and Moon (E.J. Brill, Leiden 1937). Een in het Nederlands geschreven variant van beide verhandelingen is Vier opstellen (G. Naeff, 's-Gravenhage 1938). Van wetenschappers kreeg Tydeman weinig waardering voor deze drie boeken. Zijn denkbeelden bleken niet inpasbaar in de gevestigde theorie van geofysica en natuurkunde.
Een terugblik op zijn marinejaren legde Tydeman vast in Verbleekte films. Herinneringen van een oud-zeeofficier (W.P.van Stockum & Zoon N.V., Den Haag 1937). Vanaf 1887 tot en met 1935 schreef Tydeman 57 artikelen in tijdschriften en boeken. De meeste publicaties zijn te vinden in het Marineblad, De Zee en het Tijdschrift van het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Met hoofdstukken droeg hij bij aan verschillende boekuitgaven. Voor de catalogus van een door het KNAG in 1913 verzorgde koloniaal-aardrijkskundige tentoonstelling schreef Tydeman het hoofdstuk 'De oceanographie van den Oost-Indischen Archipel'. In 1922 gaf het KNAG een boek uit over de zeeën van Oost-Indië met daarin Tydemans hoofdstuk 'De diepten der zeeën'. Een jaar later schreef Tydeman voor een gedenkboek ter gelegenheid van het vijfentwintigjarig regeringsjubileum van koningin Wilhelmina twee hoofdstukken over de Koninklijke Marine.
Noten
[i] De tekst van dit artikel is gebaseerd op G.M.W. Acda, Op de deining van de wetenschap. Leven en werk van Gustaaf Frederik Tydeman (1858-1939), zeeofficier en hydrograaf. (Franeker 2019).
[ii] G.T., 'De 'Pilot Charts of the North Atlantic Ocean'' Informatie over deze, door het Hydrografisch Bureau te Washington maandelijks uitgegeven kaarten, 's Hage, oktober 1887', Marineblad 2 (1887-1888) 480-483.
[iii] G.F. Tydeman, Verbleekte films. Herinneringen van een oud-zeeofficier (Den Haag 1937) 125-142.
[iv] A. Weber-van Bosse, Een jaar aan boord H.M. Siboga (2e druk; Leiden 1904). Opnieuw uitgegeven in 2000, met een inleiding van Jaap de Visser, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen).
[v] G.F. Tydeman, Description of the ship and appliances for scientific exploration. Siboga-Expeditie II (E.J. Brill, Leyden z.j. [1902]); Idem, Hydrographic results of the Siboga-expedition. Siboga-Expeditie III (Leiden 1903).
[vi] A.M.C. van Dissel, 'Varen voor de wetenschap', Marineblad 110 (2000) 269-275.
[vii] Door de overeenkomst van de klank van de namen Tydeman en Tideman worden de zeeofficier en de scheepsbouwer in de maritieme geschiedschrijving soms verwisseld. In 1970 verscheen een biografie van Tideman: J.M. Dirkzwager, Dr. B.J. Tideman 1834-1883 Grondlegger van de moderne scheepsbouw in Nederland (Leiden 1970).
[viii]Dit ereteken is niet te verwarren met de bij Koninklijk Besluit van 23 maart 1907 ingestelde De Ruytermedaille. Deze is voor zeevarenden van koopvaardij en visserij en voor personen die zich door verdienstelijke daden voor de Nederlandse scheepvaart hebben onderscheiden. F.P. de Boer, Honderd jaar De Ruytermedaille 1907 tot 2007 (Zaltbommel 2007) 11-27, 215. De particuliere Stichting 'Fonds voor de De Ruytermedaille' werd in 1950 opgeheven.
[ix] De Boer, Honderd jaar De Ruytermedaille, 53-56.
Gerelateerd
'Verblijven in de afgrond van de hel!'
In het Nationaal Archief te Den Haag zijn de werfboeken van Harlingen daterend tussen 1798-1808 te vinden. Dit archiefmateriaal is voor dit…
Het leven van een marnier-arts tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog
In de Normandische havenstad Cherbourg koopt eerste luitenant-vlieger Frans Lutz zijn eerste dagboek. De 28-jarige vlieginstructeur van de…
Nederlanders aan boord van Hitlers vlaggenship
Tenminste 35 Nederlandse dienstvrijwilligers werden – als enige niet-Duitsers – op Hitlers vlaggenschip de Tirpitz geplaatst. Wie waren…

