Nederlanders aan boord van Hitlers vlaggenschip

Het verhaal van de Nederlandse bemanningsleden van de Tirpitz

Door C. Kleijn MA & J. Molenaar MA


Abstract

De 'Tirpitz' was de trots van de Duitse Kriegsmarine, maar wist u dat er tientallen Nederlanders aan boord dienden? Historici Cees Kleijn en Jasper Molenaar reconstrueerden aan de hand van archieven en persoonlijke brieven het verhaal van deze 35 vrijwilligers. Van de ijzige kou van het Noorse Kåfjord tot de heftige luchtaanvallen van de Britse Home Fleet: een aangrijpende studie naar een atypische vorm van militaire collaboratie waarbij Nederlanders soms letterlijk tegenover Nederlanders kwamen te staan.


Het Duitse slagschip Tirpitz ligt afgemeerd in een Noors fjord. Bemanningsleden, onder hen Nederlanders, begeven zich aan dek (bron: Wikimedia Commons)Het Duitse slagschip Tirpitz ligt afgemeerd in een Noors fjord. Bemanningsleden, onder hen Nederlanders, begeven zich aan dek (bron: Wikimedia Commons)

Inleiding

'Tot m'n grote vreugde, mocht ik Uw pakket d.d. 26-11-'43 heden ontvangen. Hiervoor betuig ik mijn hartelijke dank. Het deed me goed weer eens 'n Hollandse cigaret te roken. Ik ben dan ook erg zuinig er mee. Ik kwam juist van de wacht terug, toen ik het pakket ontving. Hebt U al m'n brief van de 25 Dec. ontvangen? Die post duurt zo lang, maar het is te begrijpen, want we liggen enorm ver verwijdert van Holland. Het bevalt me uitstekend aan boord, m'n boord recruten tijd is nu al lang voorbij. Het heeft me af en toe het uiterste gekost. Maar ik heb doorgezet en het resultaat is dat het mij reuze goed bevalt. Het is hier reuze koud, maar daar zijn we tegen gepakt hoor. S'Nachts kunnen we het noorderlicht aanschouwen, wonderlijk is dat. Het is hier s'nachts altijd helder en dan op het water. Ik zie dit 100% liever dan de mooiste film.'

 

De achttienjarige Alkmaarder Jan Belt schreef op 19 januari 1944 deze brief vanuit het hoge noorden van Noorwegen, aan boord van het grootste slagschip dat de Duitsers hadden: de Tirpitz. Zijn verhaal is onderdeel van een buitengewone oorlogsgeschiedenis. Tijdens de Tweede Wereldoorlog namen tienduizenden Nederlanders dienst bij de Duitse strijdkrachten. Daarmee vormden zij het grootste contingent oorlogsvrijwilligers van alle bezette landen. Het grootste aantal diende bij de Waffen-SS, maar ook in de Wehrmacht vochten veel Nederlanders. Zo sloten meer dan 2.500 Nederlanders zich aan bij de Kriegsmarine en waren enkele honderden in dienst van de Duitse Handelsmarine. Buitenlandse vrijwilligers werden vooral ingedeeld op kleinere schepen, maar Nederlanders lijken hierop een uitzondering te hebben gevormd, want we treffen ze ook aan op U-boten en slagschepen. Tenminste 35 van hen werden – als enige niet-Duitsers – op Hitlers vlaggenschip de Tirpitz geplaatst. Wie waren deze Nederlanders, hoe kwamen zij op het schip terecht, en wat beleefden ze in deze periode? Aan de hand van persoonsdossiers in het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging en het archief van het Nederlandse Rode Kruis kwamen we tot een historische reconstructie.

Thuis in Alkmaar boterde het niet tussen Jan en zijn vader. Aanvankelijk probeerde hij aan het ouderlijk huis te ontsnappen door bij de Waffen-SS te gaan. De opleiding daar viel hem echter zwaar tegen en al snel trad hij weer uit dienst. Na enige tijd besloot Jan het over een andere boeg te gooien. Hij meldde zich voor de Kriegsmarine. Hitler had namelijk bepaald dat 'artverwandte nordische Völker' – waartoe ook het Nederlandse werd gerekend – bij alle onderdelen van de Duitse strijdkrachten mochten dienen.


'Artverwandte nordische Völker' – waartoe ook het Nederlandse werd gerekend – mochten bij alle onderdelen van de Duitse strijdkrachten dienen.


Op 20 juli 1943 vertrok Jan naar het Marinelager Tidofeld in Lütetsburg bij Norden, waar hij samen met andere Nederlanders in opleiding kwam bij de 6./2. Schiffs-Stamm-Abteilung. Het was de eerste keer dat Nederlanders bij de Kriegsmarine als aparte groep werden opgeleid. Er werden echter nooit speciale operationele onderdelen opgericht voor buitenlanders; de plaatsing van deze vrijwilligers gebeurde dan ook steeds vanuit praktische overwegingen. Toch was er bij de Nederlanders iets bijzonders aan de hand. In tegenstelling tot andere nationaliteiten kwamen zij ook op schepen waar alleen Duitsers op dienden, zoals U-boten en slagschepen.

 

Nederlands personeel tijdens de basisopleiding in Norden, 1943 (foto's: Collectie NIOD)

Nederlands personeel tijdens de basisopleiding in Norden, 1943 (foto's: Collectie NIOD)

 Nederlands personeel tijdens de basisopleiding in Norden, 1943 (foto's: Collectie NIOD)

Na het afronden van de basisopleiding in Norden vroeg commandant Kapitän zur See Willy Schröder wie er genegen was om dienst te doen op de Tirpitz. Op 15 oktober werden 35 Nederlandse vrijwilligers, onder wie Jan, op transport gesteld naar het Noorse Kåfjord, waar het schip lag afgemeerd. Het ging overwegend om jongeren (gemiddeld 20 jaar) met uiteenlopende achtergronden. Van hen hadden de meesten geen militaire ervaring. Een uitzondering was de Amsterdammer Kars Post, die reeds bij de Waffen-SS had gediend en aan het Oostfront was geweest. Dat hij daar in het heetst van de strijd was geweest, blijkt uit het gegeven dat hij het Eisernes Kreuz 2. Klasse had gekregen en gewond was geraakt. Daarnaast was Hans Kok aspirant-reserveofficier bij de Bereden Artillerie van de Koninklijk Landmacht geweest. Ongeveer de helft van de groep was lid van de NSB of een nevenorganisatie hiervan, zoals de Jeugdstorm. Hiermee is niet alles gezegd, wat bijvoorbeeld blijkt uit een brief die Leo Zeebregts op 2 februari 1944 schreef:

'[…] Ik ben nog geen lid van de Beweging. Ik schrijf: nog!! Ik kan me met alle grondbeginselen en principe's verenigen maar één vraagstuk is er, dat is voor mij ook 'n vraagstuk en dat is het zo vaak genoemde: Jodenvraagstuk. Gedeeltelijk kan ik er me mee verenigen maar gedeeltelijk gaat het nog boven m'n pet, om zo te zeggen. Heb U daar geen één boekje van dat U mij zou kunnen sturen of m'n moeder zou kunnen laten sturen… Wilt U 'ns zien wat U voor mij zou kunnen doen. Misschien als ik 'n boekje daarover gelezen heb, dat ik erover 'klar' word. En als dat zo is, dan word ik natuurlijk direct lid van de Beweging. […] Ontvang de hartelijke groeten en 'n stevig Hou Zee!! Van Matr. Leo Zeebregts Feldpostnummer M.30162./E Heil Hitler!! Ook 'n Hou Zee van kameraad Matr. Jan Schel. Op voor 'n vrij Nederland!!'

Nederlands personeel legt na afronding van de basisopleiding in Norden de eed op Hitler af, 26 augustus 1943 (foto's: Collectie NIOD)Nederlands personeel legt na afronding van de basisopleiding in Norden de eed op Hitler af, 26 augustus 1943 (foto's: Collectie NIOD)

Bij het luchtafweergeschut

Na een lange reis kwam de groep op 8 november 1943 in Alta aan en ging aan boord van de 'Lonely Queen of the North', zoals de Tirpitz door de Britten ontzagwekkend werd genoemd. Enkele weken eerder was het door Britse mini-onderzeeërs aangevallen en beschadigd: 'Dit schip was zeer gehavend en kon slechts voor lesschip dienst doen', verklaarde Jos Visser na de oorlog. Eerst moesten de Nederlanders een boordopleiding van zes weken doorstaan, een tweede rekrutentijd als het ware. Daarna werden ze vrijwel allemaal ingedeeld bij het luchtdoelgeschut. Deze bestond uit zware 10,5 cm Schnelladekanone C/33, middelzware 3,7 cm Schnelladekanone C/30 en lichte 2 cm FlaK 30.


De Nederlanders werden als gewone manschappen ingedeeld onder Duitse commandanten.


De Nederlanders werden als gewone manschappen ingedeeld onder Duitse commandanten. Een hogere rang dan Matrosenobergefreiter (korporaal) bekleedden zij niet. Zo viel Kok onder een Duitse Hauptgefreiter en onder Oberleutnant zur See Heinrich Hellendoorn – de 2. Flak-Artillerie-Offizier – die vermoedelijk het commando had over het zware luchtafweergeschut. Hans stond goed bij Hellendoorn aangeschreven. De officier toonde zich begaan met het lot van de Nederlanders aan boord. Toen Hellendoorn erachter kwam dat de financiële compensatie van de Nederlanders niet goed was geregeld, stuurde hij Kok op dienstreis naar Nederland om te zorgen dat dit in orde werd gemaakt. Dat de verhoudingen tussen de Duitsers en de Nederlanders tamelijk goed lijken te zijn geweest, blijkt ook uit het gegeven dat Lou van der Kooi als telefonist en oppasser aan een Leutnant zur See was toevertrouwd.


10,5 cm Schnelladekanone C/3310,5 cm Schnelladekanone C/33

De eerste tijd was er voor wat betreft oorlogshandelingen nog weinig te beleven voor de Nederlanders. Het schip kon niet varen en geallieerde acties bleven uit. Buiten het oefenen met het luchtdoelgeschut werd tijd besteed aan lessen in roeien, skiën en scheepsbouwkunde. Ook liepen de Nederlanders wachtdiensten. Naast dienst was er ook ruimte voor andere activiteiten. Visser blesseerde zich bij een voetbalwedstrijd en werd daarvoor behandeld op een nabijgelegen hospitaalschip. Tijdens verlof mochten de manschappen van boord en de omgeving verkennen. Jan Belt verwonderde zich over de lokale Sami-cultuur:

'Hier in de buurt wonen de Lappen familie's. Nu, dat zijn me 'n volk. Ze wonen in groot hondenhok zo half in de aarde. Ze hebben reuze dikken huiden om, vooral die vrouwen. Het interieur van dat hok is pré-historisch. Stoelen ontbreken, ze zetten zich even eenvoudig op de grond. Een boomstronk als tafel. U ziet wel, die mensen moeten nog heel wat bij gebracht worden.'

 

De Tirpitz ligt gecamoufleerd in een Fjord (foto: Bundesarchiv)De Tirpitz ligt gecamoufleerd in een Fjord (foto: Bundesarchiv)

Skiën behoorde tot de trainingSkiën behoorde tot de training

 

Belaagd door de Home Fleet

Toen de Britten merkten dat de reparaties aan de Tirpitz bijna waren voltooid, zetten zij een nieuw plan op touw om haar uit te schakelen. De aanwezigheid van het slagschip vormde een bedreiging voor de hulpkonvooien naar de Sovjet-Unie en een belemmering voor een eventuele geallieerde invasie van Noorwegen. Een nieuwe actie met onderzeeërs was uitgesloten doordat de Duitsers hiertegen nieuwe verdedigingsmaatregelen hadden genomen. Daarop besloten de Britten het slagschip vanuit de lucht aan te vallen met vliegtuigen van de Home Fleet. In de vroege ochtend van 3 april 1944 stegen in het kader van Operation Tungsten twee golven jachtbommenwerpers en escortejagers op vanaf verschillende vliegkampschepen en zetten koers naar de Kåfjord.


Voor de Nederlanders aan boord was dit hun eerste – en uiteindelijk enige – tocht met het schip.


De vorige dag had de Tirpitz haar juist gerepareerde machines getest. Voor de Nederlanders aan boord was dit hun eerste – en uiteindelijk enige – tocht met het schip. 'Dit was echter een klein proeftochtje om de machines te proberen, die pas gerepareerd waren. Daarna werd het schip in de haven aangevallen door de RAF', verklaarde Jan Mulder hierover. De eerste aanvalsgolf verraste de bemanning volledig. Voordat alle luchtdoelgeschutstations waren bemand, was er bijna een kwartier verstreken. Ook de rookbussen waren niet geactiveerd. Deze waren rondom de fjord geplaatst en moesten het schip in geval van een luchtaanval in nevel verhullen. Als eerste beschoten de jachtvliegtuigen het scheepsdek om de luchtafweer te neutraliseren. Hierdoor vielen veel slachtoffers onder de bemanning, werd het luchtverdedigingscontrolecentrum uitgeschakeld en een aantal kanons beschadigd. Vervolgens wierpen de jachtbommenwerpers hun bommenlast af. Ook de tweede aanval verraste de verdediging. Ditmaal was dat juist deels te wijten aan de kunstmatige rook die inmiddels over de fjord was verspreid. Hoewel dit er voor zorgde dat de piloten hun doel lastiger konden vinden, werd ook de luchtafweer gehinderd.

Eenheden van de Home Fleet ondernamen op 3 april 1944 Operation Tungsten. De bemanning van de Tirpitz werd erdoor verrast en het slagschap raakte zwaar beschadigd (foto: Wikimedia Commons)Eenheden van de Home Fleet ondernamen op 3 april 1944 Operation Tungsten. De bemanning van de Tirpitz werd erdoor verrast en het slagschap raakte zwaar beschadigd (foto: Wikimedia Commons)

In totaal troffen vijftien bommen de Tirpitz, terwijl de Britten drie toestellen verloren. Hoewel de schade aan het schip meeviel, waren er maar liefst 122 doden en 316 gewonden. Vooral de luchtafweerafdeling was zwaar getroffen. Volgens Kok waren er tien Nederlandse slachtoffers. Ook zijn directe commandant Hauptgefreiter Jupp Rapp behoorde tot de gesneuvelden:

'Toen ik van mijn dienstreis terugkwam hoorde ik dat je was gevallen. Ze hadden het me onderweg verteld toen ik naar boord terug ging. Ik kon het niet gelooven, maar het is helaas zoo je bent er niet meer. Joep, kerel, het is mij altijd nog onbegrijpelijk en toch zal ik je nooit meer spreken: wij zullen nooit meer samen een borrel gaan drinken; ik zal nooit meer dat gezicht van je zien met dat eene oog, dat je zoo op kon trekken, dat niemand wist of je ernstig was of dat je den boel voor den gek hield. Het aardigste vond ik het als je Nederlandsch sprak. Grammaticaal uitstekend, maar met een uitspraak, waar ik altijd om moest grinneken. [...] Je was een rang hooger dan ik; je was onderofficier en ik maar matroos, maar nooit heb je me dat laten merken. Je was Duitscher, ik Nederlander, maar je had jaren in Nederland gewerkt en je hield van ons land.'

Van de Nederlandse groep waren Frans van der Schoot en Theo Brouwer om het leven gekomen. De laatste was door bomscherven in zijn rug en hoofd getroffen, en op slag dood. Onder de gewonden waren Jan Belt en Kars Post. Zij werden de volgende dag met een watervliegtuig naar een lazaret in Narvik gebracht. Ook Jos Visser was gewond geraakt:

'Op 3 April 1944 werd door de geallieerde vliegers tesamen 90 in getal een aanval op dat schip ondernomen. Het schip kreeg 15 voltreffers en een blindganger. Ik ben toen gewond en bewusteloos geraakt en heb vanaf 's morgens 7 uur tot des avonds 7 uur onder het puin op het schip gelegen. Ik had allemaal mijn ribben gebroken, mijn longen gekwetst en verder was ik in mijn gezicht en aan handen en beenen verwond. Ik ben toen tot Juli 1944 in een hospitaal in Noorwegen verpleegd.'

Visser was dusdanig uit het veld geslagen, dat hij na zijn herstel naar huis vluchtte en onderdook.

 

Schade na het bombardement van 3 april 1944 (foto's: Bundesarchiv, toeg.nr. 134, inv.nr. 203)

Schade na het bombardement van 3 april 1944 (foto's: Bundesarchiv, toeg.nr. 134, inv.nr. 203)

Schade na het bombardement van 3 april 1944 (foto's: Bundesarchiv, toeg.nr. 134, inv.nr. 203)

Er zijn meer deserties bekend onder de Nederlandse bemanningsleden van de Tirpitz. Zo namen de Amsterdamse vrienden Anton Lebbink en Herman Vet samen de benen. Zij hadden minder geluk dan Visser en werden gepakt. Na een tijd in een Berlijnse gevangenis te hebben gezeten, werden de twee teruggeplaatst. Daarop probeerden zij nog eens – opnieuw zonder succes – te ontsnappen en werden daarop in Narvik vastgezet in afwachting van een gerechtelijk onderzoek. Lex Ouwendijk bleef tijdens een verlof te lang weg en kreeg daarvoor ook gevangenisstraf. Terug aan boord werd hij door zijn commandant nog eens zes weken lang disciplinair gestraft. In mei 1944 liep hij opnieuw weg. Korte tijd later werd hij in Amsterdam gearresteerd en verbleef tot aan de Duitse capitulatie in mei 1945 in diverse gevangenissen in Nederland.


Dit leidde tot de bijzondere situatie dat Nederlanders tegen Nederlanders vochten boven de Noordpoolcirkel.


Op 17 juli 1944 voerde de Home Fleet opnieuw een luchtaanval uit op de Tirpitz onder de codenaam Operation Mascot. Onder de escortejagers die het Duitse luchtafweergeschut moesten belagen, waren dit keer de Hellcats van 1840 Naval Air Squadron, dat voor het merendeel uit Nederlandse vliegers bestond. Dit leidde tot de bijzondere situatie dat Nederlanders tegen Nederlanders vochten boven de Noordpoolcirkel. Een van de Nederlanders aan boord van de Tirpitz, Martin Overeijnder, had nota bene een broer die dienstdeed bij de RAF.

Ditmaal waren de Duitsers op tijd op de hoogte en hulden de Tirpitz in een rookgordijn. Hierdoor waren de Britse vliegers gedwongen af te gaan op de mondingsvlammen van het afweergeschut, die de Duitse posities verraadden. Hoewel meerdere bommen vlakbij insloegen, raakte het slagschip niet beschadigd. Opnieuw had het rookgordijn ervoor gezorgd dat er geen accuraat afweervuur kon worden gegeven en wederom werden slechts drie aanvallers uitgeschakeld.

Dit beeld van ée1n van de vele Britse bombardementen op de Tripitz (operation Paravane) laat goed zien hoe rookgordijnen hun werk in de Fjord doen (foto: Wikipedia)Dit beeld van éen van de vele Britse bombardementen op de Tripitz (operation Paravane) laat goed zien hoe rookgordijnen hun werk doen (foto: Wikipedia)

In de laatste week van augustus 1944 voerden de vliegers van de Home Fleet – opnieuw ook 1840 Naval Air Squadron – de intensiteit op en voerden maar liefst vier luchtaanvallen uit op de Tirpitz (Operation Goodwood). Ditmaal leden de geallieerden zware verliezen: maar liefst zeventien toestellen gingen verloren. Vrijwel de gehele luchtafweerafdeling – ook de Nederlanders – werd op 9 september 1944 beloond met het Eisernes Kreuz 2. Klasse. Verschillende Nederlanders schreven hierover vol trots naar het thuisfront. Een buurtgenoot van Arnhemmer Michiel van Gellekom verklaarde hieromtrent:

'[…] een van mijn kennissen kreeg eens een brief van hem, waarin hij schreef, dat de Hollanders het ook wel konden. Hierbij doelde hij op het neerhalen van een geallieerd vliegtuig, waarin hij een aandeel had gehad. Ik kreeg een keer een foto van hem gestuurd waar hij als matroos tusschen een troepje anderen stond. Achter op deze foto stond geschreven, dat ik maar goed moest kijken, want hij stond er op met het IJzeren Kruis 2 Klas op zijn borst, dit kruis had hij gekregen voor het neerhalen van bedoeld vliegtuig.'

Kok – en vermoedelijk ook de andere Nederlanders – ontving op 18 oktober 1944 tevens het Flotten-Kriegsabzeichen als verdere erkenning voor zijn optreden tijdens de luchtaanvallen.

De ondergang

De aanvalsoperaties van de Home Fleet toonden aan dat jachtbommenwerpers onvoldoende geschikt waren om de Tirpitz definitief uit te schakelen. Daarop besloten de Britten zware Lancaster-bommenwerpers in te zetten. Deze toestellen werden hoofdzakelijk uitgerust met de grootste bom in het arsenaal van de RAF: de Tallboy van 12.000 pond. Tijdens het bombardement van 15 september 1944 werd de Tirpitz geraakt door een voltreffer op haar boeg. De luchtafweer had hiertegen weinig kunnen uitrichten. Het schip werd vervolgens verplaatst naar het eilandje Håkøya bij Tromsø, waar het water minder diep was. Daar werd het op 29 oktober opnieuw door Lancasters aangevallen en beschadigd.

Het laatste en definitieve bombardement kwam op 12 november (Operation Catechism). Ondanks het spervuur van de luchtafweer van de Tirpitz – waardoor één bommenwerper verloren ging – wisten de aanvallers het slagschip met verschillende Tallboys te raken. Als gevolg kapseisde het schip en vonden honderden bemanningsleden de dood. Tien Nederlanders werden meegenomen in haar ondergang. Een kleine twintig van hen wisten aan de dood te ontsnappen. Hoewel zijn commandant – Oberbootsmannsmaat Johann Kindsmüller – sneuvelde, lukte het Jan Belt overboord te springen. Na enige tijd rondgedobberd te hebben op het ijskoude water, werd hij uit het water gehaald door een Noorse vissersboot.

De Tirpitz ligt gekapseisd in de fjord van Tromso enige tijd na de aanval die haar ondergang betekende (foto: Imperial War Museum)

Epiloog

Na de dramatische ondergang van hun schip werd de overlevende bemanning op 16 november 1944 in het plaatsje Kampen, op het Duitse waddeneiland Sylt, bij Marine-Ersatz-Abteilung 5 ingedeeld. Korte tijd later werden de overgebleven Nederlanders met verlof gestuurd en zouden daarna niet meer samenkomen. Hun ervaringen van de laatste oorlogsmaanden lopen dan ook sterk uiteen.

Kok vroeg om overplaatsing naar de Waffen-SS en meldde zich in januari 1945 bij de SS-kazerne in Graz-Wetzelsdorf. Hier lag het opleidings- en reservebataljon van het III. (germanisches) SS-Panzer-Korps. Nadat hij zijn infanterieopleiding had voltooid, ging hij begin april 1945 met een van de laatste rekrutentransporten naar het noorden, richting Stettin. In het plaatsje Gramzow werd hij ingedeeld bij SS-Feld-Ersatz-Brigade 103. Voordat hij echter kon worden overgeplaatst naar een veldeenheid, brak het Rode Leger door de frontlinie langs de Oder. Vanaf 25 april 1945 belandde Hans in de maalstroom van het terugtrekkende en ineenstortende Duitse leger. Gewapend met een snelvuurgeweer nam hij deel aan de laatste achterhoedegevechten. Op 3 mei 1945 wist hij de Amerikaanse demarcatielinie langs de Elbe te bereiken en daarmee aan Sovjet-Russische gevangenschap te ontkomen.


De casus van de Nederlandse bemanningsleden op de Tirpitz laat zien hoe divers en soms atypisch de inzet van Nederlanders in Duitse krijgsdienst kon zijn.


De meeste overlevenden van de Tirpitz werden overgeplaatst naar andere onderdelen van de Kriegsmarine. Voor de twee bevriende Amsterdammers Anton Vet en Herman Lebbink liep het anders. Zij werden wegens herhaalde desertie ter dood veroordeeld. Het krijgsrecht leek bij de Kriegsmarine strenger toegepast te worden dan bij de Waffen-SS. Op 28 februari 1945 kwamen zij in een klein bosperceel ten noorden van Tromsø daadwerkelijk samen voor het vuurpeloton te staan. Zonder de Kriegspfarrer, die in de allerlaatste ogenblikken geestelijke bijstand verleende, zou hun lot vermoedelijk ongewis zijn gebleven. Hun lichamen zijn nooit teruggevonden, net zomin als degenen die met het schip ten onder zijn gegaan. Hiermee kwam het totaal aantal Nederlandse doden van de Tirpitz uit op veertien, bijna de helft van de groep. Voor de overlevenden begon met de naoorlogse internering een nieuw hoofdstuk.

De casus van de Nederlandse bemanningsleden op de Tirpitz laat zien hoe divers en soms atypisch de inzet van Nederlanders in Duitse krijgsdienst kon zijn. Zij kwamen niet uitsluitend in marginale of ondersteunende rollen terecht, maar bekleedden ook meer belangrijke posities. Dit nuanceert het beeld van buitenlandse vrijwilligers als per definitie tweederangs binnen de Duitse krijgsmacht. Tot slot benadrukt deze reconstructie, gebaseerd op individuele dossiers, het belang van onderzoek naar ervaringsgemeenschappen: door persoonlijke oorlogsgeschiedenissen te analyseren en te vergelijken, ontstaat een completer beeld. Daarmee draagt deze studie bij aan een beter begrip van militaire collaboratie door Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog.

 

Cees Kleijn MA is militair historicus en gespecialiseerd in Nederlanders aan het Oostfront. Jasper Molenaar MA is militair historicus en doet onderzoek naar militaire collaboratie door Nederlanders in de Tweede Wereldoorlog. Momenteel werken zij samen aan Bureau Onderzoek Oorlogsverleden.

Download dit artikel

 

Gerelateerd

 

 

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave