Mag het een schepje minder?

Over toenemende dreigingen, geld en echte keuzes

In augustus jl. schreef Daniel W. Drezner in Foreign Affairs over hoe in de VS alles nationale veiligheid en nationale veiligheid alles werd. In zijn essay beschrijft hij hoe telkens weer nieuwe veiligheidsissues op de nationale agenda kwamen, terwijl er weinig tot niets van af werd gehaald: ‘Since the subsequent war on terror, … the national security bucket has grown into a trough. From climate change to ransomware to personal protective equipment to critical minerals to artificial intelligence, everything is national security now.’ Uiteraard horen in dit rijtje nog onder meer de War on Terror, China, Noord-Korea, Iran, en uiteraard de Oekraïneoorlog.

 

 

Dat telkens nieuwe onderwerpen op de veiligheidsagenda worden geplaatst ligt mede aan wat in de wetenschap securitization (verveiliging) wordt genoemd en beschrijft hoe (politieke) actoren trachten een issue op de veiligheidsagenda te plaatsen. Dat lukt, als een kritieke massa ervan overtuigd is dat een onderwerp daadwerkelijk een dreiging is. Daarbij gaat het er niet om of iets een reële dreiging is, hetgeen over het algemeen maar moeilijk meetbaar is. Over de redenen waarom de actoren verveiligen kan men meestal enkel gissen. Vaak gaat het hierbij om het verkrijgen van meer middelen en/of bevoegdheden. Zij proberen een uitzondering op de regel te creëren zodat zij van deze regel kunnen afwijken. Met andere woorden, in plaats van het stroeve politieke proces roept men een crisis uit of bestempelt men iets tot een (existentiële) dreiging. Wie geeft politici en allicht andere actoren ongelijk om van een kans die zich biedt handig gebruik te maken: ‘Never let a good crisis go to waste!’

Voor iedereen een crisis op maat

Gaat u eens na wat voor een keurslijf de dagelijkse politieke gang van zaken onder de Haagse kaasstolp is voor beleidsmakers. Meerderheden moeten moeizaam bij elkaar gesprokkeld worden om beleid te maken en als dit lukt, dan liggen alweer de pers, lobbyisten, ambtenaren of burgers op de loer, die tegen dit beleid gaan protesteren of dit beleid gaan dwarsbomen. Het woord stroperig lijkt dit proces inderdaad uitstekend te omschrijven. Neen, dan toch liever een onderwerp gauw op de veiligheidsagenda en hup, zonder enige belemmering erop los gaan handelen. Er zijn tal van voorbeelden die u waarschijnlijk nu te binnen schieten. Denk bijvoorbeeld aan een minister die tijdens overstromingen op een dijk staat en roept dat al die inspraakprocedures maar eens afgelopen moesten zijn. Dit leidde in het verleden immers uiteindelijk tot gevaarlijke vertragingen. Of, uiteraard COVID-19 maatregelen, die in veel Europese landen vaak buiten het democratische politieke proces om werden genomen, of waaraan parlementen maar mondjesmaat aan te pas kwamen. Of neem, als laatste voorbeeld, de asielcrisis.

Al sinds jaren gebruik ik dit voorbeeld om aan mijn studenten en (inter)nationale toehoorders de keerzijde van het ge- of misbruik van de woorden ‘crisis’ of ‘dreiging’ te laten zien. Zonder twijfel kan de instroom van migranten en asielzoekers bij de bevolking tot zorgen leiden. In het debat wordt deze instroom regelmatig met een toename van onveiligheid geassocieerd. De Amerikaanse presidentskandidaat, Donald Trump, doet dit telkens weer heel expliciet door migranten aan bendecriminaliteit en verkrachtingen te koppelen. Ook in het Nederlandse debat wordt migratie regelmatig aan misdaad gekoppeld. Als men echter goed luistert, dan hoort men vaak ook juist andere zorgen van burgers: druk op de woningmarkt, zorg, onderwijs en mogelijk werkgelegenheid. Al deze onderwerpen zijn echter – en u raadt het al – politiek. Met andere woorden, zij horen op de politieke agenda te staan en moeten met een gedegen politiek debat worden opgelost – hoe stroef dit proces ook is. Iets tot een veiligheidsissue te torpederen helpt geenszins om de onderliggende problemen aan te pakken en leidt uiteindelijk af van de mogelijke oplossingen.

‘Iets tot een veiligheidsissue te torpederen helpt geenszins om de onderliggende problemen aan te pakken’

Maar er zijn veel meer problemen die eigenlijk van de veiligheidsagenda afgehaald kunnen worden. Dit noemt men in de wetenschap juist de-securitization. Op een gegeven moment moet men de situatie en het eigen beleid evalueren en besluiten of een probleem opgelost is, of dat het nog steeds aandacht behoeft. Voor ik op het Nederlandse veiligheidsbeleid inga, wil ik wel vertellen waarom dit belangrijk is.

Geen werkelijke keuzes gemaakt

Voor de organisaties die zich dagelijks bezighouden met de Nederlandse veiligheid, Defensie, politie, veiligheidsdiensten en tal van andere organisaties, is het uiteraard aantrekkelijk om steeds meer geld of andere resources erbij te krijgen. Als defensiemedewerker hoort u mij zeker niet klagen over het stijgende aandeel van het ministerie in de rijksbegroting. Ik ben me wel van de gevolgen van een ontwikkeling bewust, waarin steeds meer onderwerpen tot een dreiging of crisis worden bestempeld, terwijl er maar zo weinig van deze punten ge-de-securitized(!) worden. Want, als alles een veiligheidsissue is, is mogelijk niets een veiligheidsissue. En het zijn de veiligheidsorganisaties die geacht worden om alles wat met veiligheid wordt geassocieerd op te lossen. Daarnaast betekent meer geld niet noodzakelijkerwijs meer efficiëntie: daar waar Nederland probeert met een zo klein mogelijke bemanning een zo groot mogelijk schip operationeel inzetbaar te houden, wil de Amerikaanse marine nog eens een kleiner schip met haast dubbel zoveel bemanning laten varen, dit is althans een vaak gehoorde anekdote.

Terug naar de dreigingen. Na 9-11 heeft Nederland een soortgelijke ontwikkeling op het gebied van veiligheidsbeleid doorgemaakt als de VS, zij het misschien op een kleinere schaal. Neem de Geïntegreerde Buitenland- en Veiligheidsstrategie 2018-2022 uit 2018 (op volgorde): terroristische aanslagen, cyberdreigingen, ongewenste buitenlandse inmenging en ondermijning, militaire dreigingen, bedreiging van vitale economische processen, CBRN. In De Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden (2023) kwamen hier nog enkele dreigingen bij of werden eerdergenoemde uitgebreid: geopolitieke uitdagingen en militaire dreigingen; hybride dreigingen; klimaatverandering; maatschappelijke spanningen, dalend vertrouwen, desinformatie en een radicale onderstroom; druk op de democratische rechtsorde; toegenomen risicovolle (strategische) afhankelijkheden en gevolgen voor vitale infrastructuur en economie; technologische ontwikkelingen en digitalisering van systemen.

Noemenswaardig is dat Nederland een duidelijke definitie van nationale veiligheid geeft, namelijk ‘… de bescherming van onze nationale veiligheidsbelangen tegen dreigingen die deze belangen kunnen schaden en daarmee maatschappelijke ontwrichting kunnen veroorzaken …’ Vervolgens stelt men langs 12 zogenaamde actielijnen - zowel globaal als nationaal en maatschappelijk - 85 prioriteiten vast. En daar zit hem de crux. Ook hier lijkt men dus geen werkelijke keuzes te kunnen of willen maken. In plaats daarvan probeert men zoveel mogelijk punten aan te stippen met als panacee het tweede gedeelte van de nationale veiligheidsdefinitie ‘… dit doen we door dreigingen te verminderen en de weerbaarheid tegen de dreigingen te verhogen.’

‘Men wil op alles voorbereid zijn en is daardoor mogelijk op niets voorbereid’

Blindstaren

Weerbaarheid, of resilience, is volgens dezelfde veiligheidsstrategie ‘Het vermogen om tegenstand te bieden aan dreigingen, door de kans dat dreigingen zich voordoen te verkleinen, de schade te beperken mochten dreigingen zich toch manifesteren en adequaat herstel mogelijk te maken.’ In plaats van keuzes te maken op welke dreigingen men zich zou moeten voorbereiden, wil men op alles voorbereid zijn en is daardoor mogelijk op niets voorbereid. De recente Defensienota 2024 ‘Sterk, slim en samen’ doet er zelfs nog een schepje bovenop met de aankondiging om heel veel zwaar materieel aan te willen schaffen om aan hoofdtaak 1 te kunnen voldoen. De geopolitieke uitdagingen zijn volgens de nota immers tot strategische rivaliteit verworden. Als alle plannen doorgaan, heeft Defensie eindelijk dat veelzijdige zakmes, maar het is wel heel erg klein. Het blindstaren op hoofdtaak 1 duidt niet enkel erop dat men tracht de voorlaatste oorlog te gaan winnen, maar dat men daadwerkelijk niet aan weerbaarheid kan of wil werken. De plannen voor dienstplicht en reserve zijn dan ook eerder een lapje voor het bloeden dan dat men ze serieus moet nemen.

Tot slot

In plaats van een breed maatschappelijk debat te voeren over wat politiek en maatschappij bereid zijn voor de Nederlandse veiligheid te doen of te laten, en in hoeverre men ook bereid is de consequenties van deze keuzes te aanvaarden, is ook in Nederland de nationale veiligheidsemmer verworden tot een trog: breed, tot de rand gevuld, maar met een rare nasmaak omdat de dreigingen zich stapelen en het gevoel van onveiligheid eerder toe- dan afneemt. Mag het een schepje minder?

Literatuur

Daniel W. Drezner “How Everything Became National Security and National Security Became Everything”, Foreign Affairs, September/October 2024, 122-135..

De Veiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden

Meer gastcolumns van Jörg Noll

 

Dr. J.E. (Jörg) Noll (1967) is politicoloog en luitenant-kolonel (r) bij de Bundeswehr. Sinds 2007 is hij universitair hoofddocent Internationale Conflictstudies aan de Nederlandse Defensie Academie (NLDA).

Colofon

Aanleveren kopij

Archivering

Adverteren

Neem contact op

marineblad beeldmerk

 

Koninginnegracht 19
2514 AB  Den Haag

kvmo uitgave