Sprong in het diepe
De beginjaren van de Nederlandse onderzeebootbestrijding
Gedurende de Koude Oorlog was de primaire taak van de Koninklijke Marine het traceren en, in tijden van oorlog, kelderen van Sovjetonderzeeboten. De Nederlandse zeestrijdkrachten kozen in aanloop naar de jaren vijftig voor deze specialisatie van onderzeebootbestrijding, in het Engels Anti-Submarine Warfare (ASW), en zou al spoedig hierin excelleren. In tegenstelling tot andere NAVO-lidstaten die zich hier mede in specialiseerden, in het bijzonder het Verenigd Koninkrijk, had Nederland tot aanvang Tweede Wereldoorlog nauwelijks ervaring met deze vorm van maritieme oorlogvoering.
De minieme ervaring die de KM inzake ASW wél had, vond haar oorsprong in verscheidene internationale technologische doorbraken en proefnemingen in de twintiger en dertiger jaren van de vorige eeuw. In die periode voerde ‘navalisme’ zoals omschreven door maritiem-militair historicus Jaap Anten, gecentreerd rond schepen met grote kanons, de boventoon. Hoewel dit beeld in het recent verschenen paper ‘Heerschappij ter zee’ van universitair hoofddocent Maritieme Strategie kapitein ter zee Henk Warnar is bijgesteld, lijkt er in beide gevallen weinig plek te zijn voor ASW.[i] Dit gebrek aan ASW-bewustzijn droeg bij aan de relatief trage ontwikkeling van deze discipline in de decennia voor WOII. Het gegeven dat de KM zichzelf van een tot 1940 nagenoeg onervaren ASW-marine, binnen tien jaar wist te verheffen tot één van de NAVO-koplopers wat betreft onderzeebootbestrijding, is op zijn minst bijzonder te noemen. Deze ontstaansgeschiedenis is tot op heden relatief onderbelicht, met enkel een KM-studieboek uit de jaren zestig dat zich hierop richt.[ii] In dit artikel, een extract van het stageonderzoeksverslag van scribent dezes bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH), wordt belicht hoe de Nederlandse zeestrijdkrachten deze metamorfose wisten te bewerkstelligen. Allereerst worden de toenmalige beginselen van de ASW-discipline binnen de KM belicht, waarna de sleutelfiguren en instanties die bij deze ommezwaai betrokken waren de revue passeren, alsook welke gebeurtenissen meewogen in deze ontwikkeling. Deze bijdrage sluit af met een conclusie.
De basis van ASW
De basis van ASW omvat het gebruik van (offensieve) middelen om onderzeebootoperaties te belemmeren. Dit kan onder andere plaatsvinden door het detecteren van de onderzeeboot, om zodoende het verassingselement te ontnemen. Ook het plaatsen van mijnen in bekende aanlooproutes naar patrouillegebieden is een manier om onderzeebootoperaties tegen te werken. Naast detectie leende het vliegtuig zich ook voor het bestoken van de eenheden zelf. Dit offensieve aspect van ASW vanuit de lucht vond overigens veelal plaats ná het uitbreken van WOII. Het was vóór 1939 voornamelijk de oppervlaktevloot die het primaat had voor het tegengaan van de onderwaterdreiging. Zij kon deze bestrijden met boordgeschut wanneer de onderzeeër zich boven water bevond, of deze proberen te rammen.[iii] Meer gespecialiseerde wapens waren de dieptebommen, uitgevonden door de Britten gedurende WOI. Deze konden handmatig, per reling of werper, te water gebracht werden om op een bepaalde diepte – en later bij het maken van contact – te ontploffen.[iv] Daarnaast bleken de primaire wapens van onderzeeërs, de torpedo’s, ook effectief tegen andere duikboten tijdens beide wereldoorlogen. Wel betrof het, één geval uitgezonderd, aanvallen tegen aan oppervlakte opererende onderwatervaartuigen. Met name de ontwikkeling van de akoestische torpedo gedurende WOII zou in de navolgende Koude Oorlog een belangrijk ASW-wapen worden.[v]
Om de zich onder water bevindende boot te lokaliseren, rustte marines hun schepen uit met onderwaterdetectieapparatuur. Deze apparatuur kent twee categorieën: passief en actief. Een passief detectiemiddel is de hydrofoon, waarover al sinds de 1880s geschreven werd in het Verenigd Koninkrijk, en werkt als een versterker voor een geruispeiler. Een getrainde geruispeiler, met de juiste apparatuur, kon tegen het einde van de Eerste Wereldoorlog een onderwater varende onderzeeboot tot op drie zeemijl horen.[vi] In deze eerste jaren van ASW was de hydrofoon niet in staat nauwkeurig de locatie van de onderwaterdreiging te bepalen; enkel een grove inschatting. Actieve detectieapparatuur, die ontwikkeld werd gedurende WOI, was hiertoe in staat. Actieve detectieapparatuur zendt een signaal uit, welke afketst op een metalen oppervlak, om zo de positie hiervan nauwkeurig te bepalen.[vii] Dit apparaat kreeg bij de Britten de naam ASDIC, waarbij de oorsprong van de naam staat ter discussie, maar lijkt te komen van Anti Submarine Detection supersonICs. De Amerikanen noemden hun variant sonar. Deze apparatuur werd in het interbellum in het diepste geheim doorontwikkeld met als doel de effectiviteit van de onderzeeboot in een oorlog te beperken. De Duitsers, die na de WOI tot medio jaren dertig geen duikboten meer mochten bouwen in eigen land, ontwikkelden ook dergelijke detectieapparatuur. Zowel passieve als actieve varianten kregen overigens de naam Periphone (ofwel perifoon).[viii]

Perifoon van de Duitse firma Atlas Werke (Collectie NIMH)
Pre-WOII ASW bij de KM
De eerste concrete vermelding van Nederlandse onderzeebootbestrijdingstechnologie en –tactiek is te vinden in een artikel in het Marineblad uit 1927 en in een samenvatting van een schietoefening van de kruiser Hr.Ms Sumatra uit datzelfde jaar. In de eerstgenoemde bron wordt het gebruik van de hydrofoon, ook wel onderwaterluistertoestel genoemd, ter verdediging van nauwe zeestraten beschreven.[ix] Gezien de geografie van het eilandrijke toenmalig Nederlands-Indië zou dit van groot belang zijn in het geval van oorlog aldaar. Een onorthodoxe manier van ASW staat vermeld in het scheepsjournaal omtrent schietoefeningen van de Sumatra uit 1927. Beschreven staat hoe de bemanning, zonder dieptebommen etc., zich zou weten te redden van een eventueel onderzeebootgevaar. Zij gebruikten de nevelapparatuur van het schip, dat normaliter gebruikt wordt om het zicht te ontnemen van artilleristen op vijandige oppervlakteschepen, maar in dit geval om het zicht van officieren aan boord van onderzeeboten te belemmeren.[x] Gedurende de jaren dertig vonden praktijkoefeningen plaats met de hydrofoon, welke de KM van de Duitse firma Atlas kocht. Deze werden op zowel oppervlakteschepen als duikboten geplaatst en getest.[xi] Dat de kwaliteit van deze geruispeilers van de KM nog te wensen over liet bleek tijdens een test in 1939 waarin de Sumatra, inmiddels uitgerust met een hydrofoon, wederom een rol speelde. In een oefening met een niet bij naam genoemde KM-onderzeeër in de Noordzee schatte de kruiserbemanning de locatie van de ‘opponent’ verkeerd in waardoor het bovenwaterschip tegen de duikboot aanvoer en deze onbedoeld beschadigde.[xii]
'De kwaliteit van de geruispeilers van de KM lieten nog te wensen over’
Tussen het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939 en de Duitse inval van mei 1940, werden in navolging van eerdere planen verdere ideeën geopperd over hoe de Nederlandse vloot eruit zou moeten komen te zien met oog op oplopende spanningen. In een vlootplan voorgesteld in het Marineblad uit voorjaar 1940, zou Nederland haar in aantallen beperkte torpedobootjagers niet in de frontlinie van onderzeebootbestrijding inzetten, waar dat bij andere marines wel de norm was. Het zou aan motortorpedoboten (MTB), uitgerust met dieptebommen en detectieapparatuur, zijn op vijandelijke duikboten te jagen ter bescherming van de grotere vlooteenheden.[xiii] Eenzelfde visie deelde de auteur van het eerdergenoemde Marineblad-artikel uit 1927. Deze stelde dat de KM de torpedobootjagers niet in moest zetten voor deze taak gezien de financiële en materiële schade die dit op zou kunnen leveren.[xiv] Met oog op de slechts acht relatief moderne jagers die de marine telde gedurende de jaren dertig, die weliswaar wél waren uitgerust met Vickers dieptebommen en Thornycroft werpers maar zonder detectieapparatuur, leek dit een begrijpelijk besluit.[xv] In diezelfde periode zouden alle duikboten van de Onderzeedienst vanaf de Hr.Ms. O 16 (1936) uitgerust worden met actieve detectieapparatuur ontwikkeld door de Duitsers. Deze perifoon van het type ‘C’ bleek minder geschikt in het detecteren van onderzeeboten dan haar geallieerde tegenhangers gezien de gevoeligheid van het apparaat voor trillingen, beperkte detectieradius en een andere doorgevoerde doctrine van Duitsers (en Nederlandse) zijde.[xvi] Gedurende WOII kozen commandanten van het U-bootwaffe ervoor hun perifonen niet te gebruiken gezien het feit dat actief uitzenden van een signaal hun locatie kon prijsgeven. Iets wat ook Nederlandse officieren opviel, waardoor zij ervoor kozen voornamelijk terug te grijpen op passieve detectiemiddelen. De kanonneerboot Hr.Ms. Van Kinsbergen werd als enige oppervlakteschip van de KM uitgerust met een perifoon, maar over de inzet hiervan is weinig bekend.[xvii]
KM ASW gedurende de oorlog
In de openingsfase van de oorlog was de Marine Luchtvaartdienst (MLD) in Nederland belast met het patrouilleren van de kustwateren, voornamelijk in het kader van bescherming van de Nederlandse (handels)vloot, maar ook anti-onderzeebootpatrouilles.[xviii] Deze maritieme vliegende eenheden zouden na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 vanuit het Verenigd Koninkrijk hun taken voortzetten boven de Britse wateren en de Atlantische Oceaan in de strijd tegen vooral de U-boten aldaar. Hierin zouden ze enkele successen behalen in het hinderen en, in enkele gevallen, kelderen van Duitse duikboten; zoals de U-462.[xix] In de Oost trad de MLD op eenzelfde wijze tegen de Japanners op na december 1941, alsook na de val van Java begin maart 1942. Dit deden ze met gelijkwaardige resultaten, opererend vanuit Ceylon en Australië met vliegboten. Naarmate de oorlogsjaren vorderden werd het vliegend materieel steeds meer geleverd door de Britten en Amerikanen, alsmede de trainingen om deze toestellen te gebruiken, wat de doctrines van de MLD beïnvloedde. Daarnaast opereerden MLD-toestellen van Britse makelij vanaf Nederlandse Merchant Aircraft Carriers (MACs), om zo de fijne kneepjes van vliegkampschipoperaties te leren. Wat betreft de voorziene rol van de MTBs zou deze, net als het vlootplan zelf, niet verwezenlijkt worden. In het najaar van 1940 werden wel in Londen ontwerpen gemaakt voor een Nederlandse MTB, voorzien van een Britse ASDIC en dieptebommen. Hoewel voornoemd vaartuig nooit op stapel is gezet, verkreeg de KM in de oorlog meerdere geallieerde typen MTBs die zich voornamelijk in de West ophielden, met gelimiteerd succes tegen vijandelijke onderzeeboten.[xx]

Een door zeemiliciën H.T.J. Rutgerink uitgetekend schema van een Asdic-installatie type 123 (collectie NIMH)
Naast vliegtuigen en kleinere vaartuigen, nam de KM ook grotere schepen over van de geallieerden. Verscheidene torpedobootjagers, voorzien van ASW-wapens en detectiemiddelen, werden overgenomen in de periode ná de slag om de Javazee waarbij de KM het gros van haar torpedobootjagers verloor. Vervolgens moest er marinepersoneel opgeleid worden om de tot dan toe geheime ASDIC-technologie te kunnen gebruiken. Er waren eerder al een handvol Nederlanders die deze training hadden gevolgd. Onder hen was LTZ2 J.G. Cox, een van de eerste hoofden van de naoorlogse nationale onderzeebootbestrijdingsschool. Hij kreeg deze lessen al in oktober 1940 aan de Britse walinstelling HMS Nimrod en zou een jaar later, in onder andere Singapore, zelf lesgeven in het gebruik van ASDIC. Een van zijn leerlingen was zeemiliciën H.T.J. Rutgrink, van wie het oorlogsdagboek te vinden is in de NIMH-collectie. Hierin beschrijft hij zijn lotgevallen van opkomend jong dienstplichtige tot ASDIC-instructeur.[xxi] Los van de lessen in het ASDIC-gebruik in Azië werden adelborsten hierover ook onderwezen op het KIM, dat na de Nederlandse capitulatie verhuisde naar Enys House in Groot-Brittannië. Vanaf het Nederlandse Instituut werden ook adelborsten naar haar Britse tegenhanger in Dartmouth gestuurd, wat de nauwe relatie tussen de KM en de Royal Navy kenschetst in deze periode. Gezien het feit dat Nederland zich welwillend en loyaal betoonde in de strijd tegen de as-mogendheden, nam zij een (bescheiden) deel van de ASW-taken van de Royal Navy over zodat deze zich op andere fronten kon versterken.[xxii] Hiermee werd een verdere basis gelegd voor de onderzeebootbestrijdingsspecialisatie van de KM.

H.T.J. Rutgrink (l) en J.G. Cox (r) (collectie NIMH)
Ondanks het kleine aantal vaartuigen dat de Onderzeedienst tot haar beschikking had, waren zij relatief het meest effectief in het kelderen van vijandige duikboten. Gedurende de oorlog waren de duikboten varend onder Nederlandse vlag verantwoordelijk voor tenminste drie kills van vijandelijke subs.[xxiii] Deze twee Duitse U-boten en één Italiaanse onderzeeboot werden elk tot zinken gebracht met torpedo’s afgevuurd door de alerte Nederlandse bemanningen. Waar de U-168 en de U-95 gedetecteerd werden aan het oppervlak, was de actie tegen het vaartuig van de Regia Marina anders van aard. Op patrouille in de Middellandse Zee detecteerde Hr.Ms. Dolfijn, een van de Britten overgenomen U-klasse onderzeeboot, de Italiaanse Malachite dankzij ASDIC. Na het initiële contact bracht de commandant LTZ1 Van Oostrom Soede de Dolfijn in positie, om de opponent die plots opdook met succes uit te kunnen schakelen. Hoewel de overgenomen torpedobootjagers en andere later toegevoegde escortevaartuigen geen duikboten bevestigd tot zinken hebben gebracht, werkte de algemene ASW-tactieken op dezelfde Royal Navy principes: detecteren en elimineren. Daarnaast was de verspreiding van KM-officieren over de geallieerde eenheden, konvooien, schepen en onderwijsinstellingen van grote waarde in het breed introduceren van de ASW-discipline bij de Nederlandse zeemacht. Deze verwevenheid illustreert dat het gros van de basis van onderzeebootbestrijdingstactieken binnen Nederland een geallieerde, voornamelijk Britse, achtergrond heeft. De nauwe samenwerking en onderling vertrouwen betaalde zich tot ver ná de afloop van de oorlog uit. Onder andere met de honorering in 1948 van een KM-verzoek om informatie omtrent de revolutionaire Duitse U-XXI-klasse, waarvan de Britten, er enigen hadden verkregen als oorlogsrepatriatie.[xxiv]
‘Het KIM moest gezien de oorlogsschade in Den Helder nog twee jaar op Enys House verblijven, maar de behoefte aan een gespecialiseerde eigen nationale opleiding voor ASW bleef groot’
Door op eigen benen
Na 1945 bezat de KM veel schepen voorzien van ASW-middelen, alsook ervaren onderzeebootbestrijdingspersoneel, maar geen eigen opleidingsfaciliteiten. Het KIM moest gezien de oorlogsschade in Den Helder nog twee jaar op Enys House verblijven, maar de behoefte aan een gespecialiseerde eigen nationale opleiding voor ASW bleef groot. Hierop nam de KM het Britse stationaire opleidingsvaartuig HMS Western Isles (een in WOII door de Britten gevorderd Nederlands passagierschip) over, en doopte het Hr.Ms. Zeearend. Voor de praktijkervaring werd de verouderde torpedobootjager HMS Garland overgenomen, omgebouwd tot instructieschip en omgedoopt tot Hr.Ms. Marnix.[xxv] Deze twee schepen zouden de basis vormen van de eerste zelfstandige ASW-opleiding van de Nederlandse zeestrijdkrachten. Deze kende niet alleen een Brits tintje door deze schepen en uitrusting, maar ook gelet op het beschikbare lesmateriaal. Iets wat voor problemen zorgde in de ogen van het toenmalige hoofd OB-opleidingen, de eerdergenoemde Cox. Dit gezien het feit dat een deel van de adelborsten het Engels onvoldoende machtig was en de lesboeken niet kon doorgronden.[xxvi] Dit onderstreepte de noodzaak van Nederlands lesmateriaal. Verder bestond er groeiende behoefte aan Nederlands operationeel materieel. Bij de opzet om in Nederland een nieuwe generatie onderzeebootjagers op stapel te zetten deed de KM wederom inspiratie op bij de Britten, in het bijzonder met een verkennend bezoek aan HMS Scorpion van de moderne Weapon-klasse.[xxvii]
Qua ontwerp zouden de resulterende Holland- en Friesland-klasse jagers aanzienlijk afwijken van hun Britse evenknie, vooral door andere sensoren en het ontbreken van een torpedolanceerinrichting. Waar de Admiralty gul was in het delen van wapens en lesmateriaal, waren zij minder gretig kennis over te dragen inzake de modernste radar- en ASDIC-technieken. Deze moest Nederland zodoende zelf ontwikkelen.[xxviii] Deze schepen zouden na hun voltooiing halverwege de jaren vijftig vaak opereren in een zogeheten ASW-Hunter-Killer-Group met het vlaggenschip van de Nederlandse marine; het vliegkampschip Hr.Ms. Karel Doorman (ex HMS Venerable). Dit schip werd in 1948 overgenomen van de Royal Navy.[xxix] Vliegend vanaf het grootste schip van de KM (tot de indiensttreding van het huidige JSS Zr.Ms. Karel Doorman in 2015) kwamen de vliegtuig- en helikopterpatrouilles van de MLD veelal neer op anti-onderzeebootpatrouilles op de Atlantische Oceaan. Hiermee trokken ze de lijn door die 860 squadron in de oorlog was begonnen, opererend vanaf de MAC-schepen in hun strijd tegen vijandelijke duikboten. Ook wat betreft op land gestationeerde (lange afstand) maritieme patrouillevliegtuigen, zoals eerst de Lockheed Ventura’s, B-25 Mitchells, in de vijftiger jaren gevolgd door de Lockheed Harpoons en Lockheed Neptunes, legde de MLD in WOII in het Verenigd Koninkrijk de basis voor ASW-surveillancevluchten in de Koude Oorlog.[xxx]

Smaldeel 5 op volle zee (collectie NIMH)
Conclusie
De ontstaansgeschiedenis van onderzeebootbestrijding bij de Koninklijke Marine kent de nodige buitenlandse invloeden to say the least. De eerste aanzetten tot ASW waren veeleer van theoretische aard. De aanschaf van Duits detectieapparatuur bracht, evenmin als de plaatsing van dieptebommenrekken op torpedobootjagers, enige veranderingen. Juist schepen met dieptebommen hadden, tot de beginfase van WOII, zo ver bekend géén detectieapparatuur. Iets wat ook naar voren komt in het dagboek van zeemiliciën (en later ASDIC-instructeur) Rutgrink waarin hij stelt: “we hebben wel dieptebommen, maar je hebt er weinig aan als je niet weet waar de duikboten zijn”. Dit illustreert de gebrekkige aard van de onderzeebootbestrijdingsdoctrine en operaties van de KM, ondanks het bezit van enige techniek op dit vlak. Pas met de Royal Navy ASW-opleiding van enkele Nederlandse officieren beginnend halverwege 1940, gecombineerd met het feit dan ons land een (bescheiden) deel van de Britse onderzeebootbestrijdingstaken op zich wilde nemen in de loop van de oorlog, kwam de KM op dit vlak op stoom. Door zich welwillend, maar bovenal capabel, te tonen in de ogen van senior-partner Groot-Brittannië kreeg de Nederlandse marine toegang tot, en inzicht in, steeds meer gespecialiseerde ASW-techniek en- tactieken. Bovendien bouwde het de broodnodige ervaring in onderzeebootbestrijdingsoperaties op. Dit resulteerde kort na 1945 in een Nederlandse onderzeebootbestrijdingsschool, op de Britse leest gestoeld, maar voorzien van KM-docenten en ervaringen. Deze school moest bestaande, nieuw aangeschafte en in aanbouw zijnde ASW-schepen van de vloot voorzien van gedreven en gekwalificeerd personeel voor het conflict dat de tweede helft van de twintigste eeuw zou domineren; de Koude Oorlog.
T.C. (Thomas) Hill BA is als managementassistent werkzaam bij het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) te Den Haag. Hij rond heden de Master Global History and International Relations aan de Erasmus Universiteit Rotterdam af. Graag wil de auteur veel dank uiten naar zijn voormalig stagebegeleider en huidig collega dr. Anselm van der Peet voor het meelezen en verbeteren van dit artikel.
Noten
[i] Jaap Anten, “Navalisme nekt onderzeeboot : de invoer van buitenlandse zeestrategieën op de Nederlandse zeestrategie voor de defensie van Nederlands-Indië, 1912-1942” (Proefschrift Universiteit Leiden, 2011); Henk Warnar, Heerschappij Ter Zee: Over De Rol Van Theorie in De Zeekrijgskunde (Breda: Faculteit Militaire Wetenschappen, Nederlandse Defensie Academie, 2023).
[ii] J. H. van Rede en Marinestafschool, De Historische Ontwikkeling Van De Onderzeebootbestrijding Van En Met De Eerste Wereldoorlog Tot Heden, (Marinestafschool, 1967).
[iii] Van Rede, ‘Onderzeebootbestrijding,’ 3.
[iv] Idem, 5.
[v] J.M. Mohrmann, Marine-torpedodienst, 1875-2000 (De Bataafsche Leeuw: Amsterdam, 2000), 72-73.
[vi] Willem Hackman, Seek & Strike: Sonar, anti-submarine warfare and the Royal Navy 1914-1954, (London: Science Museum, 1984), 65.
[vii] Malcolm Llewellyn-Jones, The Royal Navy and Anti-Submarine Warfare, 1917-49 (London: Routledge, 2006), 10.
[viii] S.J. de Groot, Een Vos in Schaapskleren: Ingenieurskantoor Voor Scheepsbouw Ivs/Inkavos: Een Duits-Nederlandse Samenwerking 1922-1945 (Amsterdam: De Bataafsche Leeuw, 2015), 103.
[ix] J.J. Logger, “Onderwaterluistertoestellen. Technisch overzicht en tactisch gebruik,” Marineblad 1927: 486-488.
[x] NIMH, Schependocumentatie, Map Hr.Ms. Sumatra.
[xi] Van Rede, ‘Onderzeebootbestrijding,’ 10.
[xii] NIMH, Collectie Losse Stukken 057, inv.nr. 2621.
[xiii] J.A. de Gelder, “Het slagkruiserplan (Vlootplan 1940),” Marineblad 1940: 531-532.
[xiv] Logger, ”Onderwaterluistertoestellen,” 489-490.
[xv] Nationaal Archief, Den Haag, Bouwtekeningen van Schepen van de Nederlandse Marine, nummer toegang 4.MST, inventarisnummer 1851, 1882.
[xvi] Nationaal Archief, Den Haag, Marinestaf, nummer toegang 2.12.18, inventarisnummer 293.
[xvii] Anten, “Navalisme nekt de Onderzeeboot,” 334.
[xviii] N. Geldhof, 70 jaar marineluchtvaartdienst (Leeuwarden: Uitgeverij Eisma B.V., 1987), 53.
[xix] P.E. van Loo, Louis Kaulartz, en Nederlands Instituut voor Militaire Historie, ‘Enige Wakkere Jongens’: Nederlandse Oorlogsvliegers in de Britse Luchtstrijdkrachten 1940-1945 (Amsterdam: Boom, 2013),
[xx] Ph. M. Bosscher, De Koninklijke Marine In De Tweede Wereldoorlog. Dl. 3 (Franeker: Van Wijnen, 1990), 161-162.
[xxi] NIMH, Collectie Losse Stukken 057, inv.nr. 2330.
[xxii] NIMH, Collectie Losse Stukken 057, inv.nr. 2621.
[xxiii] Thomas C. Hill, “Onderzeebootbestrijding door de Koninklijke Marine Tijdens WOII” (Stageonderzoek, NIMH, 2023), 51-53.
[xxiv] Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Defensie: Marinestaf, nummer toegang 2.13.114, inventarisnummer 1889.; Nationaal Archief, Den Haag, Commandant der Zeemacht in Nederlands-Indië, nummer toegang 2.13.72, inventarisnummer 571.
[xxv] Hill, “Onderzeebootbestrijding,” 54.
[xxvi] NL-HaNA, Def / Marinestaf, 2.13.114, inv.nr 4704.
[xxvii] NL-HaNA, Def / Marinestaf, 2.13.114, inv.nr. 269.
[xxviii] Hill, “Onderzeebootbestrijding,” 61-63.
[xxix] Nationaal Archief, Den Haag, Militaire Attaché's, nummer toegang 2.13.174, inventarisnummer 143.
[xxx] Van Loo, Enige Wakkere Jongens, 333.; NIMH, Marine monografie 092, 2.7, 50.

